‘Wer weiss wo wir in ein paar Wochen stecken?’ Duitse veldpost uit de Generaal de Bonskazerne in Grave

Op 8 maart was het dan eindelijk zover. Gewapend met een zaklamp en stofmasker vergezelde ik Jobbe Wijnen bij het bouwbiografisch onderzoek op de Generaal de Bonskazerne in Grave. Een onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van BOEi. Op amper beloopbare zolders, in stoffige kamers en soms vochtige kruipruimtes gingen wij op zoek naar achtergebleven objecten die meer konden vertellen over de personen en eenheden die in deze gebouwen hebben verbleven. Een geweldig project waarbij enkele volle zakken met documenten en objecten uit de oorlogsjaren, Koude Oorlog en latere bezetting zijn verzameld.

Terwijl Jobbe druk bezig was met de uitwerking van al het materiaal, was het project bij mij al langzaam naar de achtergrond verdwenen. Tot ik vorige week bezig ging met het ordenen van mijn verzameling Duitse Feldpost. Onverwachts ontdekte ik op een kleine blauwe enveloppe twee duidelijk rode briefstempels. In de twee ronde, rode stempels prijkte tot mijn verbazing de tekst ‘Kommando 2. Marine-Kraftwagen-Einsatzabteilung’! Deze eenheid is in april 1942 op de Bonskazerne gevormd en zou hier tot in februari 1943 gelegerd blijven. Kort en simpel samengevat was dit een gemotoriseerde ondersteuningseenheid die onder andere de bevoorrading en diverse vormen van vervoer regelde voor de Duitse Kriegsmarine.

Veldpost uit de Bonskazerne in Grave.
De rode Briefstempel op de voorzijde van de enveloppe.

Vol goede moed begon ik aan het ontrafelen van de tekst. Dit bleek alleen makkelijker gezegd dan gedaan. Het handschrift was op zijn zachtst gezegd nogal slordig en kriebelig. Gelukkig wist Emma de Boo van Uijen mij uiteindelijk door de onbekende delen van de tekst te loodsen en kon het vertalen beginnen. Uit de vertaling van de enveloppe blijkt dat de brief op 10 oktober 1942 door Maat Günther op de kazerne is geschreven.[1] Zijn rang (Maat) is vergelijkbaar met een onderofficier bij de landmacht (heer). Hij behoort verder tot de staf van de Abteilung en had zijn kantoor waarschijnlijk in het Bureelgebouw waar ook voor de oorlog de administratie werd gevoerd. Jobbe, Dwayne Beckers en Martijn Reinders hebben tijdens het bouwbiografisch onderzoek op de zolder van dit gebouw ook enkele bijzondere objecten gevonden die aan deze staf kunnen worden gelinkt. Het meest opvallend zijn de vele papieren labels met de tekst ‘2. Kompanie’ (de 2e compagnie) en een Empfangsbescheinigung (ontvangstbewijs) van de Kriegsmarine.

Veldpost uit de Bonskazerne in Grave.
De zolder van het bureel lag vol met deze kleine labels van de ‘2. Kompanie’, een van de compagnieën van de Abteilung (Dwayne Beckers).

“Het is een persoonlijk schrijven dat niet voor andere lezers is bedoeld”

De brief die in de enveloppe zit is kort, maar blijkt toch een mooie inkijk te geven in het dagelijkse wel en wee van Günther. Dit is ook gelijk het mooie van Feldpost. De inhoud is vaak niet puur militair. Het is een heel persoonlijk schrijven dat niet voor andere lezers is bedoeld. De brief is geadresseerd aan Fraulein Juge Schweide. Aan de toon van de brief valt op te maken dat dit niet zijn vrouw, vriendin of moeder is, maar waarschijnlijk een gewone vriendin of misschien wel zijn (getrouwde) zus.

Bij het lezen blijkt dat de briefkaart onderdeel is van een al veel langer lopende briefwisseling. Günther is niet altijd zo kort van stof, zoals uit zijn excuus voor de mogelijk tegenvallende lengte kan worden opgemaakt. Mogelijk heeft het te maken met zijn aanstaande verlof. Günther schrijft de brief namelijk één dag voor zijn lang verwachte Heimaturlaub. Voor de meeste militairen was dit na lang en ver van huis te zijn geweest iets waar ze enorm naar uitkeken. Hij kan echter niet nageven om ook te melden dat er nog wel een hoop geregeld moet worden voor het zover is, iets wat Juge ‘Aus eigener Erfahrung’ vast bekend voor moest komen. Dat zijn rol bij de staf druk kon zijn, blijkt ook wel uit het feit dat hij eigenlijk al in september op verlof had willen gaan, maar zijn dienst dit niet toeliet. Het grootse gevolg van deze verschuiving was het steeds slechter wordende weer. In Grave is het op deze oktoberdag regenachtig en bewolkt en de vooruitzichten zien er slecht uit.[2] Günther hoopt dan ook terecht dat Petrus hem goed gezind is en hij tenminste nog een paar zonnige dagen krijgt, ‘Was mann hat – das hat man!’.

De brief neemt een iets andere wending nadat de perikelen rondom het verlof zijn besproken. Het gaat nu, deels tussen de regels door, over het militaire leven en de dagelijkse praktijk hiervan. De zonnige dagen wenst hij niet zomaar. Hij vraagt zich hardop af waar de reis hem in de toekomst naartoe zal voeren. ‘Wer weiss wo wir in ein paar Wochen stecken?’ schrijft hij terecht aan Juge. De Abteilung lag ten tijde van het schrijven nog vredig in de kazerne, maar hij wist net als alle andere militairen dat dit snel kon veranderen. Verder komt het geloof in de eindoverwinning en de trots voor het dienen van het vaderland in de brief naar voren. Heel concreet wordt het als ze over Karl spreken. Wie deze Karl exact is, wordt niet duidelijk, maar het blijkt dat deze persoon niet zomaar willekeurig bij de Wehrmacht wil dienen, maar graag een ‘Afrikakämpfer’ wil worden. De grote overwinningen die Rommel in de zomer van 1942 met zijn Afrikakorps wist te boeken, hadden blijkbaar een enorme aantrekkingskracht op de waarschijnlijk nog jonge Karl. Voor Günther zou Afrika maar niets zijn. Als antwoord op de strijd op dit continent is het eerste wat er in hem opkomt: ‘Oh – diese Hitze!’. Hij laat hier achteraan wel gelijk weten dat het zonnige zuiden nog wel zou gaan als het lot hem hier ooit naartoe zou voeren. Wat hij nog niet weet, is dat de eenheid in februari 1943 daadwerkelijk naar het ‘zuiden’ wordt verplaats. Na een gedeeltelijke hervorming vertrekken 3 compagnieën uiteindelijk naar de Balkan.

Veldpost uit de Bonskazerne in Grave.
Karl wil graag een ‘Afrikakämpfer’ worden, maar de hitte lijkt aan Günther toch niet besteed.

Afrika lijkt aan Günther niet besteed, ‘Oh, diese Hitze!’’.

Over de gebouwen van de Generaal de Bonskazerne schrijft hij niets, maar de brief geeft wel een mooie inkijk in zijn leven en dat van een gewone militair. Wat Günther toen nog niet kon beseffen, was dat de niet te stoppen Duitse oorlogsmachine op het moment van schrijven steeds verdere scheuren begon te vertonen. Het voorspelde einde van de oorlog was nog lang niet in zicht en zijn brieven zouden er een jaar later waarschijnlijk heel anders hebben uitgezien.

Deze blog staat ook op: https://www.boei.nl/Duitse-veldpost-uit-de-bonskazerne

Meer over het onderzoek op de Bonskazerne:

Terug


[1] Zijn achternaam is helaas niet leesbaar.

[2] http://knmi.turmin.com/1942-10-10

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *